Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stijver kneep ze de oogen toe en haar mond trok bitter van weerzin.

„Och — maar, ze wist 't wel, ze paste niet bij hem, ze paste misschien in 't geheel niet voor 'n huwelijk. Heer-Heer, als ze toch verleeën jaar alles 'weten had.. I Maar toen was hij zoo niet, toen was hij zacht 'weest,

dat lag dan zeker an haar ziekte Nou was hij héél

anders, plomp en—en nooit tevreê, en zijn lach zoo— zoo ruw. Daar kwam die angst ook vandaan bij haar! Ja, als je toch 'n kindje draagt, 'n klein menschke, 'n zieltje van de Lieve Heer, dan moest je tenminste enkel brave vrome gedachten hebben en—endaden? Eigenlijk altijd zóó of je in de Kerk was, en veel bidden moest je, véél bidden, want zou 't kindje anders niet 'n slecht menschke worden ... léter?"

Tranen lekten branderig onder haar wimpers uit, en ineens over het bonte kleine goed in haar schoot, vouwde ze de handen, boog ze het hoofd. „Och Lieve Heer, Heer in de Hemel, laat mijn kindje toch braaf zijn, réin . . . Och Heer toch, heb erbarmen, zegen 't schaapje, zegen 't toch en bewaar 't voor slechtheid."

Een gedachte aan Tjeerd flitste in haar op en haar wangen werden klam van verlegenheid. Ze opende de oogen, lei schielijk het goed op de kastplankjes en stond op.

De aardappels kookten, ze hoorde het deksel klepperen in de omhoog rookende stoom. Haastig bracht ze de groente op, het vleesch, en op een aarden teil een broeder.

HO

Sluiten