Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog 's 'n hondje an boord zien te krijgen, 'n Keesje, dat gaf op zoo'n — zoo'n holle middag nog 's wat verzet...."

Verveeld keek hij om zich heen.

Een vlieg liep over zijn hand, hij sloeg naar het zoemende dier, trachtte het te vangen op het tafelkleedje.

Ineens dacht hij weer aan Bouk. „Zou ze wezenlijk zóó akelig ....? Och ja, 't wil je? 'n Papieren popke! Hij had haar vanmorgen ook maar niet lastig moeten vallen. Ja, nou — dat was mooi 'zeid. Voorheen toe' je 't verkropte, toe' lag je alleen in de kooi...."

Hij drentelde weer op en neer in de roef, vier stappen heen, vier stappen terug. Af en toe luisterde hij aan de matglazen bovendeur, het was angstig stil daar beneden, een onrust kroop in hem op, schaamachtig belachte hij ook weer zijn bevreesdheid. „Och kom, was hij zóó'n klein jog'? Effe Moeder's schorteband kwijt, watte?" Zachtjes liep hij heen en weer, staarde op een portretje van zijn Moeder aan de wand, op het blok van de kalender, dacht ook weer aan de zonnetent. „Aha, warempel, wacht 's, dat moest ie nou 's efkes gauw voor 't wijfke opknappen."

Geluidloos was hij bezig in de brandende middagzon, het tentdakje gaf een breede reep schaduw, hij droeg het tafeltje uit de roef er heen, het thee-serviesje, Bouk's „luie"-stoeltje en zijn „zorg."

„Zóó — dan was 't aardiger, hè? Zou ze nog 's van opkijken, zoo meteen " Eenzaam onder het

xxó

Sluiten