Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich weer tot Tjeerd. „Ze had je later in 'n zweefmolen 'zien, Boltjen, met Eefke Mussels! En later — later heb ze ons nog 's alle-drie: Berend Bos en jou en mij, bij Moeke Rosa zien binnengaan! 'n Slimme duvel, die meid, nou maar die neem je niet gauw bij de neus."

Bouk luisterde bedremmeld naar Ate. „Maar dat

dat is toch zeker allegaar lang 'leeën 'beurd...?," vroeg ze haperend.

Ate proestte het uit. „Gosjes! Die is goed! Nee hoorl Dat is nog maar kort dag, Vrouw Boltema 1 Ja, met varens-lui hèb je dat hè, in ieder stadje, 'n ander katje!"

Luut spotte. „Je moet niet alles gelooven hoor, wat Ate kletst! Die vent van mij, dat is 'n eerste-klas opsnijer! Och heer, wat ie mij allegaar niet heb willen wijsmaken, nou da-'s in een woord goddeloos."

„Ate heb er de naam wèl van dat hij knapjes kan liegen," stemde Tjeerd grif toe, en hij dacht: ,,'k Wou dat de vent gister 'krepeerd was."

Beduusd tuurde hij naar Bouk's doffe donkere oogen, haar witte beverige mond. ,,G6', wat 'n lammerd die kerel...."

Ate zakte lui achterover in zijn stoel. „Dat mensch van mij," vertelde hij vroolijk, — „die Luut, dat gladde engeltje, die wil maar niet gelooven dat wij nog 's op die kermis van verleeën jaar met z'n drieën na' 'n berucht huisje 'weest hebben. Zeg jij nou 's Boltjen, of 't waarheid of leugen is, da'-we alle drie, bij die dikke Moeke Rosa "

Tjeerd kwam met een vaart overeind in zijn stoel.

125

Sluiten