Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanhopig keek hij op in de wreed-zwarte nacht-lucht.

„Och God, JezusI Neem h'r niét weg! Neem h'r niét! Och Jezus straf mij! Jezus, geef mij *t zwaarste, 't — 't ellendigste dat er is, maar spaar haar dan, spéér héér...."

Het jammeren zonk weer weg uit zijn hoofd, zijn verleden leefde op en hij zag zijn verkeerde daden.

Aan de rand van het pad stond hij, vlak bij het water, en hij tuurde er op neer.

Weer kwam er een gil, een doffe, brekende schreeuw.

Tjeerd kneep de handen tot vuisten, boorde de nagels in de palmen, hij bad en — vloekte, dacht ook weer aan Ate de Leeuw, en knerste op de tanden. „God, allemachtig, dat die lammerd nou ook net komen moest, of ... of de duvel 'm 'stuurd had ...." Met witte strakke lippen vervloekte hij de valsche kameraad, hij boog dieper in en hij vervloekte ook zich zelf.

De gillen gingen als folterende duivels door de holle poort van de nacht, en nog eens in een opperste smart vervloekte Tjeerd zich zelf, en zijn zonde.

En de nacht werd valer, dunner, de morgen stond bleek op van de kim, en een bloedroode kerf had de lucht in het Oosten. Zwak leef-gerucht aarzelde op uit de stad.

Tjeerd schrok, er stond iemand achter hem, die tikte hem op de schouder, en toen hij omkeek zag hij in het spookachtig-witte gezicht van het knechtje. „Of je vóórt komt schipper, de dokter zegt.. . ."

Op zware beenen ging hij al, en onder het loopen

I3J

Sluiten