Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kornet, ze scheen in een aandachtig bidden verzonken, over haar rimpelige wangen trokken gestadig de tranen. „Och arm, dat kind daar beneeje, dat lieve deerntje,** de gedachte stokte in heviger droefenis.

Vrouw Zeelt keek van de een op de ander, en het langst bleef haar blik op Tjeerd. Door haar doffe wanhopige oogjes gleed telkens een vijandige achterdocht, maar de smart overmeesterde dat gedurig weer. „Oh God, God in de Hemel 1 Al wat ze had, lag daar stijf en koud ter neer! Ja! Ja, er was wat 'beurd, er moest 't een of 't ander voor'vallen wezen. Bouk had ook bar 'klaagd in haar trouwen, d&lijk al, en altijd over pijn en of ze wat zeggen wou, dat er niet uit konl Ja en hèm, sinds hij voor haar oogen de houten-klaas 'speeld had, en achter haar rug haar kind verleidde, hem vertrouwde ze in 't geheel niet! Och Heere God, dat 't

wichtje nou dood was, dóód God, wat leeg en

duister wier 't leven ...."

„De dagen des menschen zijn als het gras," haalde Oom Liekele gelijktijdig aan, en om zijn schrale wangen trilden zijn bakkebaardjes, — „gelijk een bloem des velds, alzoo bloeit hij."

„Aangaande de dagen onzer jaren," wee-klaagde Jitske, zijn vrouw, — „daarin zijn zeventig jaar of zoo we zeer sterk zijn tachtig jaar, en het uitnemendste van die is moeite en verdriet," over haar bolle koonen biggelden dikke tranen.

„Wij allen vallen af als een blad," zei, zwaar van stem, de ouë. Daarna was er een zwijgen.

134

Sluiten