Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker, de verdiensten, die moe' je niet wegcijferen, van de laaiing biels komt nou nog 'n piekfijne zerk,

'n kostelijke grafzerk " Zijn praten schoot opeens

hoog-uit. „Ah gö-dome .... gö-dóme, die vervloekte verdiensten!" Hij dook in als van pijn en een krankzinnige schrei-lach trok over zijn beenderige wangen, zijn onderlip bloedde weer.

De ouë ademde hoorbaar en hij wenkte naar de anderen, beduidde hun: „laat ons alleen." Hendrien, schoon ze de oogen vol tranen had, begreep dat het eerst. Ze stond op, en voerde — zacht overredend — Vrouw Zeelt mee naar het veronder, de overigen volgden hen.

Ruurt en zijn jongen waren alleen gelaten.

„Tjeerd," zei de ouë, met aandrang, en zijn stem trilde, en zijn oogen smeekten, — „vertrouw me toch, Tjeerd."

Het bleef stil.

De klok tikte, en om het schip smoesde fluisterend het havenwater.

„Jongen, als ik je helpen kan....?," hield de ouë aan, — „als ik je helpen kan ....?" Hij wachtte en er kwam geen antwoord.

Toen boemde de ouë zijn grijze hoofd zwaar neer op de tafel en hij schreide, ,,0-oh Tjeerd, m'n jongen, m'n jóngen ...," hij kneep de handen tezamen, zijn spieren knapten. „Tjeerd zou nog heelemaal van zijn zinnen raken, hij zou nog héélemaal zinneloos ..," de ouë kermde in zijn schreien en het was of al het ver-

139

Sluiten