Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glibberig brok spek doormidden, schoof de schipper eerlijk het grootste deel toe.

,,'n Fijne pottasie," glunderde hij, en gelijk met Tjeerd schoof hij aan bij de tafel, nam de pet van het hoofd en drukte die een wijl voor de stijf toegeperste oogen. Heere, zegen deze spijzen, amen." Vlug gleed het zoo door zijn gedachten, en nog voor Tjeerd de pet ▼an de oogen genomen had, ▼iel hij al op het middagmaal aan.

„Lekker doorregen spek," smulde hij, — „nou 'n ekselent kostje, watte?" Schuw-aandachtig blikte hij op naar Tjeerd, zijn oogen gingen wijder open. „Heden nog toe," ontviel hem in zijn verwondering, — „je hebt witte haren op zij ▼an je hoofd, schipper," hij hoestte en werd heet van een schrik. „Jij stommerd!," bekeef hij zich.

Maar Tjeerd knikte kalm en hij at bedaard door. „Ja jongen," zei hij, — „ik wor' grijs omda-'k — omda-'k m'n ziel an de duvel verkocht heb."

„Och .... nou," morde het knechtje verschrikt, dadelijk trachtte hij weer te glimlachen. „De duvel! Dat was die meid zeker die er zoo pas voorbij ging?"

,,'n Boodschaplooper van 'm," zei Tjeerd stroef.

Jur negeerde dat. „Die meid," vertelde hij gemoedelijk, — „da-'s rooie Tekla, ah man, 'n gammele ... Ze heb 't ook nog 's in 'n spoor an'leid met 'n meneer uit de grootheid, 'n barre hurrie kwam d'r van, en bij de bos-dokter is ze 't huis uit'smeten."

Jur wachtte gespannen maar er kwam geen ant-

Achter het Anker

145

Sluiten