Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tjakkig, hij kon er van spugen, ja w'rachtig, die wormstekige slet met haar winkel baas en haar waterstoker en al haar verloopen kerels I Ah — tjéisses! Ja, ja.... en toe' ze haar warme armen om zijn nek lei

en haar mond an zijn oor vastzoog oh-god, oh-

god, geradbraakt moest ie, geradbraakt!" Hij spande zijn klamme handen tot vuisten....

„Jees, hoe kon 't, hoe was 't gos-mogelijk... dat ie zoo'n beest... ? Gesnauwd had ie toch wel op h'r en haar weggeduwd en toe' — toe' was hij toch mee'gaan, 'n maand na — na haar dood," hij beet de kaken op-een, en weer vervloekte hij zijn onmacht.

Langzaam liep hij het hei-verlichte pleintje over, de stad in. Een man stond er met een kar vol potbloemetjes, en onder de witte vlam van een lantaren spoot een fonteintje een splijtende waterstraal in een ijzeren bekken, achter een ijskarretje blèrde een verweerde meid een rauwe venters-roep.

Nurksen stapte Tjeerd voort in een drukke winkelstraat, hij keek naar de hei-verlichte etalages, naar de pralende vrouwtjes en zag niets bewust. De winkelstraat wekte een herinnering. „Lang was 't nog niet 'leeën," bedacht hij, — „dat ie hier met Bouk samenliep, ook net 'n dametje, zij, met haar aardige rooie hoedje en haar lichte mantel. Och god, ja, waar had ze toe' ook zin in 'had ? In zure haring of—of garnalen ? Hij had er nog om 'lachen, en 't niet 'kocht: vieze vischboel! Tja, 'n vent, 'n vént.. . ."

Hij ging een stillere zij-straat in. „Ginter op de

151

Sluiten