Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar de jongen antwoordde niet, en zijn zwijgzaamheid stelde Tjeerd teleur. „We gaan ankeren, astonds," overlegde hij weifelend, — „tenminste ik dacht zoo net, er komt misschien 'n zware bui."

,,'n Rare nacht, schipper," praatte het knechtje daar gedempt over heen, — „net of we alleen op de zee benne, en net of er wat anders dan gewoon om je is — wétte? 'k Weet niet, ik meende zoo pas ook dat je praatte, maar 'k droomde zeker nog," schichtig keek hij op.

De lucht werd rood van doffe vlammen en over het donkere water dreunde gesmoord de donder.

,,'t Wordt toch niet zwaar," gaf de jongen, na een poos, als zijn meening ten beste, — „ik zou zoo zeggen, we moesten de tjalk maar zachtjes door laten drijven."

Tjeerd gaf er geen antwoord op, hij staarde met kleine oogen naar de vlammende nachthemel. En weer hoorde hij als vlak aan zijn oor de heeschkrijschende stem van Vrouw Zeelt. „Hó, maar die schuld van jou is niet af te doen, dan met de hel en de duvel. Jij zal er voor boeten in d'eeuwigheid l In d'ééuwigheid 1"

Tjeerd stond aan het roer, als een man die een tè zware last torste. „Boeten," dacht hij, — „dee' ik ooit anders? En is 't leven er niet lang genoeg voor? Moet er ook nog 'n eeuwigheid wezen en 'n hel en 'n duivel?"

Hij trok het hoofd in de schouders. „Als er nog veel van die nachten komen," wist hij plotseling, — „dan

160

Sluiten