Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,,'t Moest nou toch alles 's 'daan worden, eer Riek ▼an de Baas er de oogen opsloeg," overdacht hij, toen hij vluchtig opzag om een draad van het kluwen te knippen. „Morgen-vroeg moest ie maar beginnen, afzeepen en de kastjes doen en schoone gordijntjes ophangen. De bekers en de poppen en al de mooie bulletjes moesten nou ook maar weer voor de dag 'haald worden, 't beste servies en 't roodwollen tafelkleedje. Lekkere thee zou ie zetten als zij kwam en eerst zelf nog boterkoekjes bakken, er hing 'n boel van af, hoe 't haar lijken zou...." Hij spande zijn beenderige knuist strakker üi de hiel van de kous en dreef haastig de naald met de dikke woldraad door de grove schering van de stop.

„Lam wel da'-ze maar al zoo bijster kalm bleef, net eender als in 't begin. Heden ja, en hoe lang kwam ie daar nou al niet over huis, hè? La'-s kijken, ja, dat was van de Kerst af, al zes-en-'n-halve week, en dan was ie nou al nam zeventien dagen zonder knecht, dat eenzame in die stille turf-wiek, dat was ook niks 'daan, d'r kwamen maar spooksels van en nieuwe Anvechtings. Als ie dat anloopje nou niet had bij de veenbaas, hiel' ie ook niks over. Maar dat loopje elke avond dat was ook 'n heele boel! 't Eenigst akelige meest nog dat Riek maar altijd dezelfde bleef, hè, die knipte nooit 's met de oogen en die bloosde nooit 's al bekeek ie haar nog zoo sterk. Heerken, 'n pronk van 'n wijfke dat was ze toch, g6' ja, 'n lief hartelijk dingie." Tjeerd werd heet tot in zijn voorhoofd. Hij zag weer

Achter het Anker

IÓ3

Sluiten