Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en heesch praatte hij door. „Als ik m'n eigen vergelijken gaan, met m'n broer Wiggert, dan ... dan wordt 't me heelegaar bitter om 't hart, dié — nou z'n derde kindje, gezond en wel, zijn vrouw voort weer fleurig... en ik ... ik...," hij stokte en zuchtte diep. „Maar nou van dat overwinteren hier te Klazienaveen, ja eerlijk 'zeid, ik dacht 't in 't begin zelf ook: go', wat 'n tegenlooper. Maar later en achteraf! Och menschke, 'k hê' hier toch zoo'n mooie vredige winter 'had, ik zou wel altijd zoo willen blijven."

Door de stilte sloeg zwaarder de tik van de staanklok en langs het venster schuurde ruw de wind, de olievlam in de lamp trilde.

Riek had haar volle aandacht bij een mindering in haar kous, daarna keek ze kalm-verwonderd op. „Nee maar — hiér? Dat vat ik niet! Merakels eentonig is 't er toch! Wil je wel gelooven dat 't mij soms vanwege de saaiheid de keel uithangt? Nou en jij hebt hier toch ook zooveel niet. 't Is nou 't eenigste dat je met me Vader nog al 's wat praten kan, maar dan voor de rest, en 't heele leven....!" Een lachje kroop over haar ronde wangen en ze schudde zachtjes het hoofd.

,,'n Mensch moet werken," leerde ze.

Tjeerd hield de handen knijperig op de knieën. „Ja-a," aarzelde hij, — „je kan ook al je dagen niet in ledigheid verslijten, dat spreekt vanzelf. Ik wou maar zeggen da-'k 't hier zóó na' zin had, hè, omdat jelie er waren, jelie bent zoo goed voor me 'weest, je bent alles voor

168

Sluiten