Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roode mond. Maar schamig en verschrikt bij haar verstroevende en afwijzende blik, verbeet hij zijn begeerte. „Nou, tot zoolang, genavend Riek," zei hij nederig.

Hartelijk stak ze hem de hand toe. „Slaap wel, Tjeerd. En tot goed weerzien maar ..."

Krampachtig hield hij een oogenblik haar hand vast, toen, dralend, ging hij.

Op het duistere weggetje langs de gestremde vaart, overviel hem plotseling weer heftiger de vrees. „God als ze hem toch 's niét wou! Oh Heer Jezus, wees genadig, genédigl" Armelijk prevelde hij het, en een poos bleef hij wezenloos op het zwarte water met de afbrokkelende ijsscherven turen, toen wit en huiverend ging hij de loopplank over, naar de leege roef.

176

Sluiten