Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordjes tegen een pop, en murmelend als het stemmetje vloot een dunne waterstraal uit het gootj e naast de tuindeur, over de steenen stoep. Lize liep de serre door, waar het kind verdiept in haar spel, niet opzag, en stapte de drie houten treedjes af in den tuin. Op de gevels aan den achterkant scheen fel de zon; heel de rij langs waren de vensters met gordijnen of jalouzieën gesloten, over een der balcons hing een hel-roode deken als een roerlooze vlag. Maar het vierkant van den tuin,omdonkerd door dedrie klimop-begroeide schuttingen, lag in schaduw, alleen Jangs het kruintje van de kleine linde in den hoek glansde goudig het licht. De blaren van de laurierkers glommen, donker-zwart was de aarde in de perken na den zwaren nachtregen, en aan de stamrozenlangs den grasrand hingen de bloemen slap van het nat. Het vrouwtje beurde een roos, die weer néér zeeg, zwaar als het bolletje van een slapend kind, dan een tweede, die met een sproeiing van twinkelende droppels, zijn bloedroode blaadjes tusschen haar gespreide vingers dóór liet druipen.

Volop stonden de rozen in haar tweeden bloei, maar over het grintpad-vol-onkruid slierden de ranken der verwaarloosde Indische kers, en tusschen het hooge, verwilderde gras staken de zwarte koppen der uitgebloeide geraniums als waren ze verbrand in de felheid van hun eigen gloed.

3

Sluiten