Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Beloof je 't dan?" vroeg hij nog eens, haar dichter tegen zich aandrukkend, en toen ze zwijgend knikte, boog hij haar moe, verslapt gezichtje achterover, keek er even lachend, hoofdschuddend op neer, en zoende dan met znn grooten, rooden mond haar kille lippen... en ze woii de gedachte niet, die haar dadelijk martelend besprong: of bij misschien ... die andere ... wel eens net zóó had gekust...? Zoo was, sinds dien nacht, hun verhouding gebleven; Lize bespaarde hem haar „verdenkingen" en dwong, zich tot kalm-onverschillig luisteren, wanneer hij zoo nu en dan Dolly's naam noemde of, als-opzettelijk, over een bezoek bij de Van Royens sprak. Doch haar vredig, met kleine beslommeringen en gebeurtenissen gevuld bestaan werd door argwaan ondergraven, een ziekelijk-gescherpte verbeelding drong haar telkens andere, telkens kwellender fantazieën voor den geest. In elk van Herbert's gedragingen zocht ze den invloed van het wufte vrouwtje: waarom gaf hij opeens zooveel meer dan vroeger om zijn kleeren, had hij twee modieuse pakken en dunne, kleurige sokken besteld; waarom kon hij fluiten en zingen, uitgelaten vroolijk stoeien met het kind, en een anderen dag stil en gesloten, bijna somber voor zich heen zitten staren... "Waarom bekommerden hem de zorg voor huis en hof zoo weinig meer, luisterde hij zoo verstrooid en ongeduldig wanneer ze daarvoor zijn aandacht vroeg ?

41

Sluiten