Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladerde boomen hing grauwe nevel, die haar scherp spiedende oogen vergeefs trachtten te doorboren, en zoo nu en dan stond ze, den adem inhoudend, een paar tellen stil om te luisteren naar 't geluid van schreden, doch in de dompe stilte van den zwöelen nacht hoorde ze alleen de trage droppels van de boomen lekken of een tak kraken onder haar pijnlijke, dungeschoeide voeten.

Toen het pad, waarlangs ze voortliep, zich splitste, stond ze even besluiteloos; aan welken kant was de straat waar de Van Royens woonden, hoe waren ze toch ook geloopen, dien Zondag, toen ze er haar eerste en eenige visite maakte?

Doch juist toen zij, op goed geluk, links afsloeg, zag ze, een eind voor zich uit, schimmen in den nevel, en terwijl ze zich repte om den afstand te verkleinen en tuurde, tot haar oogen pijnden, om de gestalten in den grauwen schemer te onderkennen, hoorde ze opeens een korten, harden lach en wist — met een schok die het bloed terugdreef naar heur hart — daar waren ze ... 1 En ze zag hen ... dicht naast elkander loopend, met langzame, gelijke schreden... een donker silhouet tegen het donker van den hemel, een paar, zooals de velen, die eiken duisteren avond door de veilige beschutting der plantsoenen gaan. Hun hoofden negen naar elkander... niets leek er op dien nachtelijken weg voor hen te bestaan dan zij 64

Sluiten