Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE HOOFDSTUK.

Hij zelf was het, met z'n overjas los en een half leege whisky-tumbler in z'n hand, die de huisdeur voor haar opende. Inde stadsstraten, met hun bultig en modderig plaveisel hadden znn groote haastige passen den afstand snel vergroot; langs een omweg, over een der stille, volkomen verlaten grachten had ze vermoedelijk lang na hem haar huis bereikt. Nu, voor zijn onbekommerd, door de avondkou en het snelle loopen warm-rood gezicht, voor zijn half-lachend en half verlegen: „ Bèn je daar eindelijk ? Je hebt de boel mooi in de war geholpen... 1' leek het of het pas doorleefde, afschuwelijke, waarvan haar doodmoe lichaam gansch den langen weg de herinnering als een duldeloozen last had meegesleept, onmogelijk waar kon zijn. Zwijgend glipte ze langs hem, door de vestibule naar de openstaande kamerdeur. Hier was opeens de roerlooze rust der welvertrouwde dingen werkelijkheid, ... en al het andere, duistere en ondraaglijke, een obsessie, die niet verder meeging dan den drempel; maar 't geluid van znn stem in de gang deed haar inéénkrimpen als een opgejaagd dier bij het suizen van een slag: „Waarom ben jullie in godsnaam niet in de vestibule gebleven, zooals ik je gezegd had?" praatte lnj ruzieïg; „jullie vrouwen kimt je nóóit aan een afspraak houen." Ze stond bij de tafel, met de grijswollen cape,

69

Sluiten