Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wat dan? weerde zich haar trots, dit dulden ? Zwijgend zóó'n bittere vernedering dydden? Weten, als hij de deur achter zich dichttrok, nu gaat hij naar die andere ? Weten, als hij haar kuste, daarstraks hebben zijn lippen dien anderen mond... Ze schudde het af, in een huivering. Het was, of zij haar moeders verontwaardigde stem hoorde: „Zoo mag een vrouw zich niet laten trappen, zulk samenleven is geen huwelijk ... het is lafheid en geen hefde om zooiets te willen dragen..." Maar als zij niet anders kón ... niet kón breken? Niet kon scheiden, niet van haarhuis waarin ze met duizend vezels zat vast gegroeid en evenmin van den man, die met zijn leven heel en al het hare was binnengedrongen, die onverschillig en trouweloos was... en dien ze toch niet kon missen. Wiens diepe stem en onbekommerden lach ze niet kon missen... zoomin als zijn smalle gebruinde handen op het witte laken van eiken disch, zoomin als de geur van zijn sigaar door het huis of het knarsen van zijn sleutel in het deurslot. Wiens schaarsche, vluchtige liefkozingen ze niet ontberen kon, zijn hand over haar schouder of onder haar kin, zijn vingers spelend langs haar gewrichten, wiens plagende en soms wreede spot haar zelfs dierbaar was, omdat ook die immers hoorde bij het leven van hen samen. Was ze dan zoo'n zwak en karakterloos schepsel, zij, die met zulke strenge en rechte 86

Sluiten