Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen leed, om te gelooven dat al die anderen huichelden, of, als zij zelf, zich dom en argeloos heten bedriegen.

Voor de schrijftafel stond ze weer . . . wat kwam ze hier ook weer doen, waarom was ze daarstraks toch naar boven geloopen? Zijn papieren, de vele boeken en brieven die zoo ordeloos over elkaar lagen... die la waarop onbezorgd de sleutel stak... ? Zag ze daar in de prullemand niet de snippers van een paarsen brief, stond daar niet „Dolly", in dik spiegelschrift op zijn witten vloeier ... en dit kleine cretonne doosje, dat bezat hij toch vroeger niet... en deze gouden boordspeld... had ze die ooit eerder gezien ... ? Doch plotseling gaf ze zich rekenschap van wat ze deed, haar zoekende hand schokte terug alsof ze zich gebrand had ... dat niet, weerde zich de laatste rest van haar gekneusde trots, niét zich nog dieper vernederen door te spieden en te speuren; het was niet noodig, dat ze nog méér van zijn schuld ontdekte ... ze wist immers genoeg.

Haar bruuske beweging had een wat wrak en uit elkaar gezakt lijstje ómgestooten, ze nam het op om de losgeraakte schroefjes vast te draaien ... en opeens viel haar aandacht op de verbleekte, een beetje vlekkerige foto achter het rammelend glas, diep eroverheen boog ze haar oogen, die heet van ongeschreide tranen waren. Het was een kiekje van haar en Herbert, in hun bruidsdagen gemaakt. 96

Sluiten