Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getje, waar ze de stille straat met de armtierige boompjes, de spaarzame lantaarns en de twee rijen poppige buisjes met de bekjes kon overzien ...

Wat ze dan wou ... of ze dan iets vreesde, hoopte of verwachtte, wist ze zelve niet. Honderd maal had ze, met een vlijmenden schrik, met een gevoel of een doodskille hand haar bonzend hart omgreep, in een paar, dat voor haar uit schreed, Herbert en Dolly meenen te herkennen, en enkele seconden later beschaamd en ontspannen geweten, dat het een domme vergissing was. En honderdmaal had ze, staand op dat bruggetje, of aan den donkeren wallekant tegenover het kantoor, of in een schemerige huizen-nis bij het hel overlichte stationsplein gedacht; „Ik houd dit niet langer uit... ik ga eraan kapot... dit is de laatste maal dat ik het draag ... straks, als hn thuiskomt, maak ik er een eind aan... gooi ik hem in z'n gezicht dat ik alles weet... dat hij te kiezen heeft tusschen haar en mij..." Maar als ze dan weer terug was en Jopie's verwijtend: „Waar ben je zoolang geweest?" haar de tranen naar de oogen joeg, en in de moeheid van haar voeten, van heel haar uitgeputte lichaam alle verzet en opstand brak, als haar veilige huis met zijn warmte en licht haar als altijd weer trouw en koesterend opnam, kon ze zich op die wilde, heftige wanhoop nauwelijks meer bezinnen. „Wie weet hoe kort nog maar," trachtte ze zich dan te 104

Sluiten