Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarop ieder vrij toegang had; het ijs was er slecht, vol scheuren, en hier en daar geelgrijs van stof, dat er op was gewaaid, doch er werd weinig gereden, een paar kinderen scharrelden er rond en hier en daar een boerenjongen, die overmoedige krullen en zwaaien probeerde; alleen aan den kant stonden heel wat voetgangers, die, hoewel kleumend en huiverend, zich met het vroolijk beweeg op de witte glanzende baan schenen te amuseeren. Een paar minuten later had Lize, tegen den berm van de sloot gezeten, haar schaatsen aangebonden en probeerde ze zich af te zetten op het botte ijs. Het viel niet mee, nadat ze in vier jaar niet had gereden; ze kreeg den feilen wind pal tegen en voelde zich zwikken op haar enkels, terwijl, na enkele oogenblikken al, een knagende, machteloos makende pijn tegen haar schenen begon op te kruipen. Doch met haar tanden opeengeklemd en de handen tot vuisten gebald in de zakken van 'r mantel, zette ze door, enjreed, met haar hoofd tegen den wind ingebogen, de sloot ten eind. Daar, in de luwte van een huizenrij, kon ze het achterste deel van de baan met de groote bocht, waarin de meeste rijders een poos lang bleven rusten, goed overzien; ze kiemde haar arm om een paal voor steun, en haar lichaam zoo hoog mogelijk rekkend, om tusschen de menschen op den berm dóór te kunnen zien, keek ze. Het viel haar moeilijk om, ondanks den geringen afstand, gezichten of gestalten

Sluiten