Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toe en nog vóór ze de woorden realiseerde, overviel haar het verbSsterend-onbegrijpelijke: Van Royen was het, die daar tot haar praatte... op haar stoep stond Dolly's man. Ze trok de deur open; drukte haar, om de sneeuwvlokken die uitbundig naar binnen stoven, dadelijk weer achter den bezoeker toe, en hoorde toen pas het laatste deel van zijn zenuwachtig-hakkehgen woordenstroom: „Zoodat ik maar bever zelf even... zoo alleen thuis zit je je natuurlijk ongerust te maken... ik dacht, het is toch mogelijk, dat ze hier...' „Hiér? Wie?" Nu eerst zag Lize hoe bleekvertrokken het nerveus lachende gezicht van den kleinen luitenant was, en begon de zin van wat hij sprak haar duidelijk te worden, en tegelijk daarmee rees haar weerzin om Iets met dien man, en wat hem bekommerde, uit te hebben staan, en het verlangen, bijna niet te weerstreven, om de deur weer te openen en hem weg te dringen naar betvijandige donkere buiten, vanwaar hij kwam. „Zijn ze hier niet?" Van Royen vroeg met vreemd ontstelde oogen en achterdochtig speurde hij langs Lize heen naar de open deur van den donkeren salon. „Maar ze moesten toch allang... met die sneeuw kunnen ze toch geen tocht...? Heeft uw man u niet gezegd waar ze naar toe zijn ?

„Mijn man ?" Opeens begreep Lize den samenhang ... begreep ze waarom die jongen met z'n zielige vertrokken gezicht hier stond, en de 9« 125

Sluiten