Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wrange realiteit dreef een schamperen lach om haar mond. „M'n man," herhaalde ze met een bewuste wreedheid, die haar even een felle voldoening gaf: „Mijn man is thuis ... al lang . .. al sinds vanmorgen." Nu zag ze het gezicht tegenover haar grauwbleek vertrekken en even snel en onbeheerscht als daareven de lust tot wreedheid, stuwde een pijndoend medelijden in haar op. „Waarom bent u zoo ongerust," vroeg ze opeens zacht en vriendelijk; „ze zal haar tocht natuurlijk onderbroken hebben... en met de trein of de tram naar huis komen." „ Ja,"zei hij, maar z'n oogen, flakkerend van onzekerheid, zwierven weer door de lichte gang en naar het donker achter de open kamerdeur. „ Vv^eet u het zeker ... ?" viel hij opeens uit, „dat hij niet met haar . .. dat hij thuis is?" Weer welde een domp woedend verzet in Lize op, maar op dat oogenblik kraakte boven de deur van Herbert's kamer; zij hoorden het beiden en zagen elkander aan ... en elk wist, dar in zijn oogen dezelfde schuwe schrik lag als in die van den ander, en in het* „daar is hij...", dat ze gelijktijdig fluisterden, voelden ze de sinistre saamhoorigheid. Lize draaide zich om en zag Herbert op de trap. Boven de trui, die hij nog altijd droeg, stond zijn gezicht bleek en verbeten, ordeloos hing het haar over z'n voorhoofd en hij hield, in een houding die gansch niet z'n gewoonte was, de handen diep in z'n broekzakken be126

Sluiten