Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de parapluie krampachtig vast hield, maakte opeens zoo'n bruuske beweging, dat Herbert, die vlak voor hem stond, onwillekeurig een pas achteruitdeed. „Kun je dan niet begrijpen dat ik gek ben van angst... die sneeuw ... en het is al donker ..."

„O, wat dat betreft kun je gerust zijn 1" Herbert hervond den snijdenden toon en scheen weer volkomen meester van de situatie. „Je vrouw had vanmorgen al dadelijk geen lust in een schaatsentocht. Ze had méér zin om naar het officieren-schermfeest in den Haag te gaan, met de trein..."

Seconden duurde het, éér Van Royen den zin der woorden scheen te vatten; het was Lize of de uren kropen door de stilte; eindelijk wrong de klanklooze vraag uit zijn krampachtig trekkenden mond: „Alléén?" En weer een stilte... en weer, in Lize's vreemd-helder hoofd een ondraaglijke spanning van eindeloos wachten... en dan Herbert's uitval, in een ruwen heeschen lach: „Je weet zelf wel beter!" Dan voelde ze een koude, natte hand over de hare, die nog altijd den deurknop vasthield en met een onverstaanbaar excuus duwde de kleine luitenant haar opzij; bleek als een geest stond hij even in de open deur, met achter zich het zwevende, geruischlooze gordijn-vansneeuw en in zijn flakkerende oogen, die het greUe ganglicht vingen,.was weer dezelfde radeloosheid als bij zijn binnenkomst. 128

Sluiten