Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den geopenden vlammend-witten kelk en tot onder het gouden altaar den tempelafzoeken, om dan, ondankbaren die zij zijn, ontevreden en humeurig ronkend, goud bestoven, weer verder te vliegen, zóó boordevol ijver dat er geen plaatsje in hen overbleef voor de zaligheid van den stillen vrede.

Of zou Ariël met ons langs den gladden spriet van het buntgras willen klimmen, dat wuivend, rank, recht-op, aan den zoom van het water staat, opklimmend tot dé uiterste punt die dan door ons gewicht langzaam gaat buigen totdat de spriet als een regenboog van-af den oevertot boven het watervlak gebogen staat? Daar, vanaf dit zwevend en duizelig hou-vast laat Ariël ons zien tot diep in die andere wereld van overspoelde en altijd golvende grassen en van schichtig verschietend leven; wij rakenbijnahetblinkendoppervlak.despiegelendegrens, waaronder voor ons de wisse dood en voor alle waterwezens het heerlijk leven is.

Maar opwindender is het nog met Ariël den slapenden hond te beklimmen. Hij ligt en ademt rustig in het warme licht der zon. Over de staart heen gaat de weg het gemakkelijkst naar boven, steeds gaat de tocht door ruige bosschenen dicht begroeide heuvelstreken, en ik wacht, kijkend naar Ariël die klimt tot in den top van een hoog uitstekende haar-krul om van daar-af de juiste richting te verkennen die voert tot den dreigenden kop. Eenmaal daar, dan groeit de spanning, de zwaar-ronkende dreuningen komen nu beangstigend van dicht-bij, de geuren worden sterker, regelmatig loeitde windnudoor borstelige haar-ruigten. Wij naderen nu tot waar de weeke mondhoek warm en vochtig geplooid ligt, snel en toch voorzichtig loopen wij over deze glibberige vlakte, vóórdat afgronden gaan gapen en diepten zich openen die vol duister rood en hard blinkend Wtt zijn. Verder gaat de tocht, recht van nu-af naar het zuiden,

Sluiten