Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(ligt een hond niet altijd met zijn neus naar de zon gekeerd?) tot daar waar de natuur een hartvormig, altijd vochtig en rose-kleurig doolhof, als een open vlakte omgeven door ruw stekelige bebossching heeft gevormd, en waar uit twee fijn geschulpte openingen de adem vlucht, in en uit. Aan den rand van deze ruigte wachten wij op het oogenblik van overmoed dat wij dwars over deze bloem-kleurige vlakte durven hollen, tot aan de ruigte aan de overzij.

Maar dan gebeurt ook het verschrikkelijke, dat waarom de tocht begonnen is; de wereld onder ons springt op, het is of zij brullend scheurt van pool tot pool, alle afgronden openen zich, de hel blinkt op, bijtend wit, een storm jaagt door alle ruigten die deze opstandige en toornende wereld overdekken. Wij worden weggeslingerddoorhetluchtruim.en vinden elkaar lachend weder aan den oever van een dauwdrop, die juist in het midden van een gespreid lupinenblad zelfgenoegzaam te schommelen lag, en meende dat hij het in grootte won van de zon waarvan hij alle warmte opdronk, naar hij dacht.

Wie zegt daar dat de beklimming van den MountEverest gevaarvoller is dan deze bestijging van den slapenden hond, wie zegt daar dat het opwindender is in een anti-vloot-wet betooging mede te loopen? Wie dit zegt weet niet, dat de wereld ons het grootst leek toen een zandkorrel ons een paleis scheen, en wij, ziende haar kristallen wanden, wisten hoe ons leven daar binnen-in zou zijn.

Ariël had ons lief zoolang wij ons kussen als de wijde sneeuwwereld konden zien, en wij voorzeker wisten dat onze blauwe deken de onmetelijke zee was, waar wij in konden onderduiken. Daarna gaf hij niet meer om ons, en zagen wij hem zelden meer.

Ariël was bij ons, toen wij als kind blijde en fantastische

Sluiten