Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fluweelzwart hing de sterrelooze hemel boven den slapenden vijver, die door den eersten vorst met een dun vlies was bedekt, bestrooid met dorre bladeren. Het eenig licht kwam van de sneeuw, die, pas gevallen, nog rein lag tusschen het eikenhout.

Zonder doek of mantel was Detjede warme kamer uitgeloopen, maar koü had zij nog niet gevoeld. Wel zou het water koud zijn, dacht zij even en huiverend klemde zij haar armen vaster om den boom. Maar zij had wel gehoord dat verdrinken een pqnloozen dood geeft» Eén oogenblik van moed, éen flinke sprong, waar de vijver nog onbevliesd lag als een donker bed, waarin zij rustig slapen zou. —

Er ging geritsel door de boomen. Veel kruinen droegen nog hun loof. Schichtig keek zij om, zonder den stam los te laten. Maar gerustgesteld drukte zij het hoofd tegen den bast. 't Was maar een windvleug in het gebladert.

32

Sluiten