Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE NOOD VAN SINTER-KLAAS.

Voor den Eerw. Heer Mil. Broes, die 200 gaarne een vertelsel van Sinter-Klaas wou lezen.

ER vielen nog eenige malsche vlokken uit het wegschuivend sneeuwschop en daar stond ineens en onverwachts de ronde maan boven den Witten toren te blinken» De besneeuwde stad wierd een zilveren stad. Het was een avond van pluimige stilte en leliepure vredigheid. En men zou er niet om verwonderd geweest zijn, hadde men de trillende sterren zien neêrzijgen, en als goudgekazuivelde heiligen langs de witte straten zien wandelen.

Het was een uitgekozen avond voor wonderen en mirakelen. Maar niemand zag de genadevolle schoonheid van het oude stedeke onder bemaneschijnde sneeuw. De menschen sliepen.

En de eemgste dichter Remoldus Keersmaeckers, die in alles het schoone zag en daarom lang haar droeg, zat bij kaarslicht en pijpesmoor een gedicht te rijmen over de Goden van den Olympos en over de heerlijkheid der Griekenlandsche lucht die hij zoo hevig op houtprintjes bewonderd had.

De nachtwaker Dries Andijvel, die op den toren

Het Keerseken. i

Sluiten