Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ah! die vent dan met zijn apenharen op de neergelaten store!" riep Zwarte Piet verheugd, „die mag ik roepen! die slaapt niet!"

„De dichter! De dichterr' lachte SinterKlaas. En zij met drieën naar den dichter Remoldus Keersmaeckers.

En zonder meer maakte Piet kleine sneeuwballekens die hij tegen het venster gooide. De schaduw viel stil, 't venster ging open, en de lange gedaante van den dichter, die verzen van Goden en Godinnen uit den Olympos opzei, kwam in den maneschijn te voorschijn, en vroeg van daarboven: „Welke muze komt mij heldenzangen dicteeren?"

„Gij zoudt voor ons Trientje Mytser moeten wekken!" riep Sinter-Klaas, en hij vertelde zijnen nood.

„Zijt gij dan de echte Sinter-Klaas?" vroeg Remoldus.

„Dat ben ik!" En daarmee kwam de dichter verheugd naar beneden, pitste al het dialect uit zijn taal, maakte reverenties, sprak van Dante, Beatrijs, Vondel, Milton en andere dichterlijke figuren, die hij in den Hemel meende. Hij was tot hunnen dienst.

En ze kwamen bij Trientje Mutser, en de dichter stampte en rammelde met zooveel temperament op de deur, dat het menschken holderdebolder uit haar bed stormde, en verschrikt het venster open trok.

„Is de wereld aan 't vergaan?"

„We komen om het groot chocolade schip!"

ii

Sluiten