Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze versch zijn en nog kraken, want na een week zijn ze dor en droog, en wringen als een katoenen prop in de keel.

Alle vreemdelingen, die per abuis in de kleine stad komen, koopen bij Sooke van der Musschen zoo een pak van twaalf vlaaikens voor den prijs van vijftig centiemen.

Andere bakkers hebben hem willen nadoen, maar och Gottekes! ze zijn er nooit in gelukt, den aroom en den heerlijken vasten smaak er aan te geven. Hunne vlaaikens bleven liggen, verrimpelend en verdroogend tot een soort van bijna-gewapend beton, om nog met geenen hamer kapot te kloppen.

Sooke van der Musschen zijn vlaaikens waren beroemd en hij noemde ze „Koninklijk" omdat er de koning met eigen mond had van gegeten.

Door dit geval was dan ook zijn naam gevestigd, gemetst en gerotst om door geen enkel tempeest van jalouzie in brokken meer te vallen.

Dat was op een keer dat koning Leopold den witgebaarde, in het stadje een tentoonstelling van Handel en Nijverheid kwam bezoeken.

Al de tentoongestelde waren zaten in glazen kasten. En één uur voor de koning kwam, wierden de kasten dicht gedraaid achter slot en sleutel, want het sleutelend bestuur had besloten, om den heerscher van het land het niet te lastig te maken, dat geen enkele der tentoonstellers den koning iets mocht aanbieden. Eikendeen schikte zich daarin, met spijt, maar Sooke van

29

Sluiten