Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Musschen niet. Hij wilde, zou en moest den koning van zijn vlaaikens laten eten. Zoo was er maar één koning, en zoo was er maar één vlaaikensbakkerij! Hij vloekte en sakkerde en dreigde ruiten in stukken te kloppen. Hij danste daar in zijn zwart kostuum, met de waggelende gouden horlogie op zijn witgegileeden buik, en den bol boven zijn oog blinkend als eenporceleinenei.

In de andere zaal, die der kanten en der blaasinstrumenten, was hij, de koning! Seffens zou hij naar hier komen! De tentoonstellers stonden stijf, bleek en hartkloppend van alteratie, en er waren er die gedurig moesten naar achter gaan.

„Ewel," dreeg Sooke, „gade gij mijn expositiekas ope doen? Ja of ni?"

„Ni!" besliste het streng commissielid, dat met zijn hoogen hoed geen verblijf wist, en niet wist of hij hem moest opzetten of in zijn hand houden; dat was hij vergeten te vragen.

„Pardaf dan!" een elleboogstomp en het glas rinkelde kapot.

En daar was de koning in zijn witten baard als in een lentewolk, als een Wotan die van den coiffeur komt. Sooke haalde uit zijn binnenzak een nikkelen telloorken, lei er een vlaaiken van uit de kast op, en bood het den koning aan.

„Pruuft dat eens Menheer Sire de Keunink zijne majesteit, hoe lakker dat dees is. Dat is mijn fabricatie!"

Heel kalmpjes nam en at de koning van het vlaaiken, tot ontsteltenis van het sukkelend

30

Sluiten