Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het zeepzopachtige licht zag hij alles nat, kletsnat* ruischen onder een malschen, smakkenden blaaskensregen, als met heelder kuipen uitgegoten.

De wolken trokken hunnen donkeren buik open en lieten maar vallen wat viel* lui en ongenadig mild, 't gudste, 't braakte, 't stoof, 't spatte, 't spuwde en 't spoelde voluptueus, 't Was alsof men den aardbol had omgekeerd en al 't water der rivieren uit hun bedding stortte.

De daken blonken gevernist, dan weer smoorden ze weg onder 't hevig gedres; de regenwaterbuis nevens het venster ronkte en lachte, van al het nat dat zij niet slikken kost, en het klaste en plaste over de dakgoten als glazen gordijnen* En 't maakte daar beneden een lawijd als geklets op duizend bloote dijen.

Sooke rilde op zijn harige beenen. Hij zei schietgebeden en vloeken ondereen. Maar hopende dat het slechts een rap-passeerende vlaag zou zijn, en het op een ander niet zou regenen, schoot hij zijn dingen aan, en liep rap naar de mis, waar hij in zijn kerkboek negen keeren achtereen de Litanie van den H. Donatus las, de patroon van 't goede weer.

Als hij weer buiten kwam, was hij, vóór hij zijn schuiler kon opendoen, nat en blinkend lijk een zeehond.

Onderwegen in 't naar huis gaan, hoorde hij de haastige menschen klagen, dat het een regen was voor een heelen dag, en de kermis op zijn gat lag en de processie er bij.

Het Keerseken. 3

33

Sluiten