Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoon op hun kniekens gebid voor SintenenKlaas.

Maar 's morgens was er niets meer in hun teiloor. Ons Chareltje, och arme, was in den nacht al eens gaan zien wat Sintene-Klaas gebracht had en had van den honger de vier tikkenhanen en de siroopestekken opgegeten, 's morgens vonden wij de pluimkens in zijn bed. Hij wierd wel op zolder gesloten, maar daarmee hadden de andere kinderen toch niets meer. En na de noen, Sintenè-Klaas viel op een Zondag, was ons Lowieke met Jefken Boon, en 't Karnoken op het ijs gaan slibberen. Maar Jefken Boon lokte de twee anderen mee naar het snoepwinkeltje van Molleken Pit. Jefken Boon wist dat er daar op den toog in een houten schoteltje altijd duitjes lagen; hij had er daar al eens uitwèggediefd. En nu ging hij het weer doen terwijl ons Lowieke en 't Karnoken wacht hielden. Ach hoe zijn kinderen van negen jaar, niet waar mijnheer, ze weten niet beter.

Maar 't scheef Molleken Pit lag achter zijnen toog op loer. En als Jefken Boon het duitje gestolen had, er lag er maar één in het schoteltje, wipte Molleken van achter zijn toog, liep de kinderen achterna al roepend: „Pakt de dieven! Pakt de dieven!"

En Suske Andries, die leelijkaard, die nevens ons deur woonde, pakte ons Lowieke, en hij wierd ach arme mee naar de commissaris gesleurd. De twee ander kinderen wierden ook gepakt, en nog den eigensten dag alle drie naar

43

Sluiten