Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ik daar nooit zou geraken zoo ver was het.

Och dat heeft me altijd zoo'n hertzeer gedaan dat ik daar toch niet kost komen, ik kreeg het er soms zoo benauwd van, dat ik ievers naar 't veld moest loopen om mij eens goed kunnen uit te wcenen.

En dat hij mij dan schreef, dat hij al zoo groot geworden was, zie dat kon ik mij maar niet voorstellen, ik zag hem in mijn gedacht nog maar zoo klein, zoo'n klein pagadderken, die ik nog altijd zelf zijn gezicht zou moeten wasschen.

En zoo gingen die veel jaren triestig voorbij, zonder dat ik hem kon zien. We zouden er toch nooit geraken en stilaan begosten wij af te tellen. Nog twee jaar, nog een jaar, en we begosten al te denken van ons huizeken te laten witten en behangpapier te hangen, tegen dat hij weder kwam. Zijn brieven waren nu zoo schoon en hij sprak zoo schoon dat hij ons zoo geerne zag, en zooveel over God, dat ik soms dacht, dat hij misschien nog in een klooster zou kunnen gaan. En drie maanden voor bij weer kwam, in September, als de lichtjes wierden aangestoken op de vensterrichel voor O. L. Vrouwken, begost ik zoo een verschrikkelijke zwarte gedachten te krijgen, dat ik geenen beet eten door mijn keel kost krijgen. Ons Trees, die nu al een kind had, kwam langs daar en vroeg „Moeder wat is 't, hebt ge pijn in uwen kop. ■

„Ik weet niet," zeide ik en begost te weenen. „Maar precies of daar zal mij iets overkomen."

48

Sluiten