Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen alleen met bazuingeschal uit hunne graven kunnen doen opstaan.

Lieneke kreeg den huiver op het lijf, als ze dacht aan diegenen, die op 't ongewijd kerkhof begraven waren. Dat lag heel ver achter het gewijde kerkhof in een vierkant van kale muren; er stond geen boom die lommerte gaf, geen kruisken, er kwam nooit een vogel fluiten; daar lagen de verdoemden, zij die zich gezelfmoord hadden, en zonder mis, kaarslicht of gebed lijk honden in den grond gestopt waren. Daar kwam nooit het aandoenlijk muziekgeruisch vreugde aan de dooden geven; daar heerschte de stilte, hol als een kelder, de eeuwige, verdoemde stilte.

Lieneke bad alle dagen voor O. L. Vrouw, opdat zij, noch haar zoon Pieteke, toch nooit het slecht gedacht zouden krijgen van zich te verdoen. En nochtans wenschte ze dikwijls dood te zijn, want haar leven was hard en zuur en vol huiverige donkerte. Ze was arm en oud, en Ze moest met heur zoon leven van hetgeen zij op de baan verdiende, met haarspelden, blink, potlood en schuurpapier te verkoopen. Ze moest er wijd voor gaan, door slijk en regen, door kokende hitte en vriezenden wind, langs de slechte wegen, die leidden naar de ver van elkaar gelegene hoeven, 's Avonds als ze dan gebroken t'huis kwam, kreeg ze van haren zoon Pieteke nog een hap en knap, en stool hij haar dikwijls de zuurgewonnen centen af, om er genevel van te drinken.

53

Sluiten