Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog), en zij geleek zoo danig op zijn tante uit Oudenaerde, even klein en vemeuteld, dat hij naar haar toepijlde en juichend en verbaasd haar toeriep: „O Matantje zijde gij dat wel, of

zrjae gy aat met.

De juffrouw was van haren stek gevallen van schrik, en Manneken-pis, zijn abuis inziende, was lijk een otter tusschen 't volk weggeduikeld.

Het was gedaan en vergeten; ze was er met den schrik en een gebroken hanepluim van haren hoed van af. Maar de Onderzeeër was daar per ongeluk juist voorbij gekomen; die had alles gezien en

gehoord. De Onderzeeër was de lange, vischkopachtige vent, met een eeuwige lach onder zijn langen neus; die alles wist, door de gordijnen Zag, alle verboden dingen per toeval zag en vernam, spionneerde, en lijk een strooienvuurken alles voort vertelde. Hij was de gazet en 't geweten van het stadje, en zijn trots was, dat men hem vreesde. Hij zweeg maar voor een hand-

73

Sluiten