Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlucht tot O. L. Vrouw van zoeten Troost. Hij zag dat de menschen steeds voor haar kaarsen in haar glazen kast gingen aansteken. Daarom stool hij de kaars uit de herberg „Het nachtlicht". Doch daar O. L. Vrouw op ronde was, wist ze *s morgens niet van wie die kaars kwam. Ondertusschen wierd het meisje treuriger, en zag steeds meer en meer naar den moor.

Op een nacht, 't ging naar September, streek hij zijn pluimen recht, en ging O. L. Vrouw zoeken. Hij vond haar in een stankig steegje waar ze met het gelaat tegen een ruit geplakt, in een vuil kamerken zag, waar een moeder waakte bij heur kind.

Hij trok aan haar fluweelen mantel. „Mag ik u eens een woordeken spreken?" vroeg hij.

„Ge moet u eerst laten doopen," zei ze kwaad, en haar glazen oogen fonkelden. Met schrik omklemde ze vaster haar Jezusken en spoedde zich weg.

„Ik zal de kapotte vinger van uw hand maken!" riep hij.

„Laat u doopen, dan zult ge alle gaven krijgen!" riep ze nog van achter den hoek.

Daar dacht hij maar één nacht op na, en hij trok naar den ouden Deken, die blij was om die bekeering. Eerst deed hij zijn biecht, zijn Zondige vrijagies, hoeveel keeren hij honing had gepikt in „de Zoeten Inval", enz.

Dat was nog al iets dien doop aan 't water van de Nethe. 't Was een feest der beelden en der uithangborden. Alle de Lievevrouwen en

89

Sluiten