Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De processie trok den heuvel op van waarachter de wolken aanvaarden.

Rechts onder hen lag het dorp, en links in de diepte was 't een oneindig verschiet van velden, bosschen, weiland, dorpkens en molens, waarachter, als een vermoeden, een stad in grijzen regen stond. En de eerste lekken vielen. Ze vielen met een kort geruisen en er was seffens een frissche geur van nat geworden zand. 't Hield even op, maar klets! dan ineens was het daar in al zijn geweld, al zijn mildheid en overvloed. Op een ommezien waren ze allemaal vischnat, blonken en druppelenden ze.

Er was een zevenslagersvemarring. 't Hield op met trommelen en fluiten, en vrouwen draaiden rond met hun Sint-Elooi, en wilden van hier naar daar, er was geroep en gelamenteer.

't Regende plassen, stralen lijk lansen, en druppels lijk nijdige marbollen. Green boom om onder te schuilen, geen gat om in te kruipen. En het regende! regende dat het smoorde en er hun kleeren bij vermorsten. Behalve de pastoor, die kalm, vol vereering de heilige remonstrantie onder het brokaat verborg, en nep: „Voortgaan! Laat het regenen, 't is toch maar water," en behalve de koster en de broeder stonden de anderen daar als in een verschroeienden brand. Het kind schreeuwde verkensachtig met grooten mond. Zijn kurketrekkerskrullen hongen uitgejijipt, slap en druipend op zijn schouders. De vier oude vrouwen zetten Sint-Elooi neer, en hepen met de rokken over hunnen kap naar een

120

Sluiten