Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was, het woud dat met zijn voorste boomen tot in de rivier stond. Ze dacht bij dit gefluit aan spoken en weerwolven en met een vuist van schrik in haar borst ging ze seffens rapper.

Maar aan haar voet bewoog het riet, en uit het water kwam een groene ventenkop omhoog, die haar begeerig toelachte. Vlug maakte zij een kruis, tegelijkertijd hoorde hij net gefluit in 't woud, en kajietend als door een mes getroffen, dompelde de verschijning weg.

Ze ging op den loop, maar daar klauterde zich op den dijk een wit-roze dikke vrouw met blonde haren en een vïsschenlijf. — De zeemermin! Ze weende belachelijk als een kerstekind. En daar weer een zeemermin! een met een lijf als een gothieke Lievevrouw. En ginder zwemmende venten met gespikkeld kikvorschenvel, en zeemerminnen met groene, gladde kinderen aan de borst. Allen stieten angstige wanhopige geluiden uit alsof er iets vreeselijks gebeuren ging.

Stans kon van 't verschieten geen voet meer verzetten. — Het gehuil kwam nader als een wind, en daarover uit het woud wroette zich ineens de veelledige aardgeest naar voren.

Al de boschgeesten, saters, nimphen, stallichten en al wat er van wondere dingen in 't woud kweekte en krioelde, gulpte lijk een stortregen, in dichte massa's, met honderden en honderden, vol vrees en ontzetting uit het woud. 't Wemelde en 't trosselde ondereen: naakt malsch vrouwenvleesch, hardharige saters, tooverheksen in kapmantels, kabouters die gillend

127

Sluiten