Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 't eene hoofd op 't andere wipten; mandragoren die zich vasthechtten aan de beenen der huilende vluchtelingen. De schrik maakte hen zot en alles plofte zonder te verzinnen het water in; het water sloeg op — zoo ver men zien kon plofte de Nethe vol gedrochten. — Het water zwol er zoo van omhoog dat het over den dijk beekte en rond Stanses looden voeten plaste. De heksen lieten zich op de ballonnende klok van hunnen mantel overdrijven, de andere vlogen op hun bezems door de lucht en hadden aan hun voeten en ploeien heelder zwermen van kleine feeën en gedrochtjes hangen. De sylphen met hun diaphane vleugeltjes snorden in kladden over. De witte eenhoren, dat ranke paard, zakte haast onder van 't gewicht der rozige nymphen. Saters droegen hunne schreeuwende kinderen op hun schouders en tusschen hun tanden. En de watergeèsten met hun platneuzen en glibberige vhmhanden, hielpen handig de boschgeesten overzwemmen. Het water schuimde van 't gespartel en 't gewroet, en de lucht scheurde van de kreten.

Eens den anderen oever op, waar Stans stond, buitelden zij den dijk af en liepen het wijde veld in. Nu droegen heel erkentelijk de boschgeesten de waterbewoners, die op den grond niet konden loopen. De massa rukte de vlakte over, dwars het witte dorp door, over het kerkhof en dan de heide met haar heuvelen en dennenbosschen in.

En terwijl ginder hun gegil nog in de lucht waggelde, en het water zijn effenheid aannam

128

Sluiten