Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een lief gehad, en nu zou haar wegkwijnend leven nog opgevonkt worden met het bijzijn van Zoo een aardig pagadderken.

Verblijd trok ze het woud in, waarin heel diep haar doorgezakt hutteken stond. Nu zou z* alleen niet sterven. Nu eerst voelde ze hoe eentonig haar leven was geweest, maar nu ging het schoon en aangenaam worden.

In haar hutteken had ze haast nooit een mensch gezien. Niemand zou het er komen

vinden. Vos en eekhoorn liep haar woonst in en uit en aten soms mee uit haar telloor. Nu zelfs kwam een vossin met jong alle dagen eten halen. Ha, die Zou het kindeken wel zogen! Maar de zoete last woog te Zwaar voor haar uitgemergeld lijf, en om hem beter te dragen, Zette ze de ster tegen den boom,

en ging nu veel gemakkelijker verder door 't maangetijgerde en gespikkelde bosch, al van vreugde mompelend:

„Maria zoude naar Betlehem gaan Kerstavond na de noene."

Na zestien jaar was het een flinke kerel geworden.

Het woud was zijn wereld. Hij wist van 't meken dat er daarbuiten nog een andere wereld was, die der menschen. Doch zij had hem die wereld, uit vrees dat hij er zou heengaan en

133

Sluiten