Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar terug recht en ze viel weer. Zoo een keer of zes. Z' had eens gezegd als ik mij niet meer verroer ga ik naar den hemel. Hij riep haar in het oor: „Ge verroert u niet meer, en als ge u niet verroert hoe kunt ge dan naar den hemel gaan? Of komen ze u halen?" Ze wou geen geitemelk, wat hij tusschen hare saamgeperste lippen goot liep er terug uit. Hij lei ze terug te bed, hopende dat ze weldra zou wakker worden. Twee dagen nadien stonk heel de hut bijeen dat de opene deur nog te klein was.

Ze bleef stinken, veranderde van kleur en barstte open. Hij rolde haar vies met zijn hoeve buiten en schupte grond over haar, niet te dik opdat zij zich nog zou kunnen bewegen als ze wakker wierd.

Nu waren de dagen in alleenigheid, hij was triestig om het wonder gedoe van meken, maar door die triestigheid klaarde een ongekende blijdschap, er kwam een trek in hem, een begeerte naar licht en verte. En hij huppelde door het woud, blies zot en dwaas op de zevenpijp, brak takken, sloeg en stampte, stond ineens weer stil, en rok in een zucht van verlangen de armen uit dat de spieren kraakten.

Hij ging nog eens naar 't meken zien, ze was half verdwenen en niet meer kennelijk. Nu wist hij dat ze nooit meer zou wakker worden, maar het nam nu niet veel plaats in zijn hart. Er gebeurde iets gansch anders in hem, en een oneindig verlangen trok hem uit het woud, de wereld in der menschen.

136

Sluiten