Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getwijg van struikgewas, stond een pril, teer meideken, in eenzaamheid en zon een bad te nemen. Zij schepte het koele water in de schelp harer hand, bracht het naar de voorover gebogen keel waar z'het over haar lichaampje zijpelen het, en dan gichelde ze van de plezierige koelte die 't water haar aandeed. Op den boord stonden veel ganzen verbaasd te kijken en lag een pakje dunne kleederen.

Dat was de mensch! O! hoe had meken hem belogen, en hoe schoon was de mensch! of was het soms ook iemand overgeschoten van zijn geslacht? Dat was nu het fruit zijner droomen. En hij in een dankbare jubeling daarop af: ,.Wat zijt ge schoon! De heb u lief! Kom mee met mij! Wij zullen samen spelen!" Ën vol verrulcking en geluk zoende hij haar op den mond. Zij liet een kreet van ontzetting, spartelde dat het water drestte, rukte zich los uit zijn streelende handen, greep haar kleederen en snelde de weide door, omgeven van een witte wolk kwakkende ganzen. Hij stond er over verwonderd, wist niet wat dit beteekende en liep haar na. Ginder lag wit het dorp, achter haar kwam de Boschgeest. Zoo dien ze het dorp met in en toch liep ze voort, maar hij haalde haar in. Ze bleet staan en terwijl ze heur kleederen voor zich hield smeekte ze met afwerende hand: „Laat mij naar huis gaan .... ach doe mij geen kwaad duiveltje lief, doe mij geen kwaad!" Hij stond vóórhaar, wat bedeesd en verwonderd door haar schrik.

138

Sluiten