Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ge moet niet bang zijn/' lachte hij vertrouwend, „ik doe u geen kwaad. Ik kom uit het bosch, 't is de eerste maal dat ik een mensch Zie, maar ge zijt schoon, ik wist niet dat de mensch zoo schoon was. Waarom zijt ge bang? Kom laat ons samen blijven, van u heb ik gedroomd! Wil ik eens op de zevenpijp spelen?

Kinderlijk en onbedorven, vol van den eenvoud van het woud, blaasde hij zijn schoonste liedje op de zevenpijp. *t Was als een doos vol nachtegalen, merels en vinken.

Zij zag op. Hij beet haar niet? Hij zoog haar hersens niet uit? Hij lachte en was vriendelijk, en zijn woorden zongen. Zij zag hem terwijl hij speelde. Een lange, spierige jongen, van aan den navel goudig hard behaard over de bokspooten, tot waar de hoeven splijtten, maar 't bovenlijf was bruin van zon, en rood van jeugd en frischte; 't was als de kleur van een oorschelp waar de zon achter jubelt. Zoo was ook zijn jong aangezicht onder het gouden schuim van zijn krollen waaruit de twee stompe hoorntjes staken. Zijn armen golfden van de spieren, de spieren spanden zich kloek over zijn borst en lagen als kussens over zijn breede schouders. En zijn lange blauwe oogen lachten haar gelukkig en bewonderend aan. Zijn lichaam was schoon en aantrekkelijk als een vlam, zijn zang vol zegepraal en verrukking, en zijn oogen glansden als sterren en zagen zoo dankbaar, dat ze haar schrik vergat en hem met open mond vol groeiende blijdschap stond aan te

139

Sluiten