Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaten de deuren op den grendel. Wie persé moest achter of buiten zijn, nam een man of drie met wapens mee.

De pastoor kwam bij Piet Strooi en hoorde Liezeken uit, maar Liezeken vertelde er het fijn niet van, sprak niet van het had, of van zijn bekoorlijke zang, zijn schoon zonnig vleesch en van zijn verrukkende oogen. Ze zei maar dat hij plots uit een boschken sprong en zij vol schrik op den loop was gegaan.

„Binnen blijven kind," zei de pastoor, „den duivel beloert u. *k Ben er zeker van dat dit het gedrocht is dat over zestien jaar op den Keeshoek is geboren: De Kerstmissater. Wij zullen een processie naar de kapel van de Nood Gods doen, wij moeten boeten en vasten." De pastoor sprak er zelfs met d'ouders van, het kind naar 't klooster te doen.

Ze mocht met meer buiten komen. Als ze maar op den drempel kwam, riep de moeder al, met de armen in de hoogte, moord en brand.

Het was alsof haar een wind naar buiten stiet, ze moest er tegen vechten en zich soms vast houden aan de tafel. Als iemand die lang in de zon heeft gezien en nog met gesloten wimpers de zon op het vlies van zijn oogen voelt en ziet, zoo zag ze voor haar steeds de klare doorzonde gestalte van den Boschgeest. De zoen was als een dun velletje op haar lippen blijven plakken, en ze streelde met haar wijsvingerken aan het pleksken, waar hij den zoen gegeven had.

141

Sluiten