Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heer Gommarus deed seffens al het volk van binnen en buiten het kasteeltje tegaar komen. En als die menschen daar stonden voor hunnen nieuwen meester, wiens zacht gelaat van gisteren nu vlam straalde, toen beefden ze. En als zijn magere stem hen verbood, op straffe van verbanning en slavernij, nog andere Goden te aanbidden of te bezitten buiten Jezus, den zoeten God van liefde, en zijne heilige, onbevlekte moeder, toen bogen ze het hoorn en gingen hun afgodsbeelden halen, om ze hier ter vernieling saam te brengen.

Gommarus ging vlug het geval aan zijn vrouw vertellen, die pas was opgestaan. Zij droeg een bronsgroen kleed met oranje borduursel. Zij at brood met droge dadels en dronk wijn uit een met zilverbelegden koehoren. Ze was heerlijk in haar duisternis. Zij geeuwde als zij Gommarus zag, en zij geeuwde terwijl hij hartstochtelijk vertelde hoe diep men hier nog in het heidendom gedompeld zat, en wat grootsche taak hier voor hem te doen stond.

Ze at voort, zwijgend, en zei plots misprnzend en afwerend, met gesloten tanden: ,,Wasch vlug uw handen, ze stinken nog naar dien varkenshoeder." .

Verachtend ging ze weg, en het Gommarus verbluft en in 't harte gebutst, staan.

Als naar ongedierte wierd door knechten en monniken, heel het kasteeltje doorzocht, van in den kelder tot op de zolders, van in de hutten der

154

Sluiten