Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbrandde hun keel. Vol vrees werkten zij door* maar zij kosten het niet houden en kwamen vragen, om wat drank naar het kasteeltje te mogen halen. ft „Dan hebben de beesten geen water meer/ zei ze kort, en ze wees hen terug met haar chkke hand, en dronk tergend een geurigen koelen wijn. De menschen kwamen knielen voor den wagen, en met opgeheven armen smeeken. Zij sloeg hen met de zweep uiteen, toen daar juist Gommarus in zijn grijze schamele kleedij uit het Elzenhout kwam. Toen vielen de menschen voor zijn voeten en kusten den grond, waar hij was overgegaan, en smeekten hem, die afgehakte boomen deed aaneengroeien, om een sloksken water.

En Gommarus wroette zijn wandelstaf in den grond, en daar bruischte een fontein van koel en helder water op, waaronder het volk juichend handen en hoeden hielden, en zich gulzig laafden.

Denzelfden dag wierd de dikke Grimmelda doorbeten van een razenden dorst en al het water dat zij slikte, al de wijn die zij naar binnen goot, was als kokend vet in hare ingewanden. Zij krinzelde, draaide, rolde en huilde van pijnen, die slechts door Gommarus' bidden overgingen.

Een stomme verbijstering, een looden stilte kwam er over haar, en een hevige schrik. Ze verborg zich in hare vertrekken, om dan soms weer ineens jachtig weg te gaan in de bosschen als zocht ze naar iets wat ze daar verloren had.

164

Sluiten