Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

avond nog te Scherpenheuvel aan te landen.

De processie was goed aangekomen in het heilig oord.

Daar was nog niemand gestorven. En *è morgens na de mis en de communie, en na voor de kinderen een trompetteken, een vaantje, koeken en printjes gekocht te hebben, verliet men weer de buikheuvelen, die blauw en lang en lenig rond Scherpenheuvel liggen.

't Muziek klonk en de paternosters draafden, en de angst zette zich op ieders hart. Nu ging er iemand sterven, en eikendeen dacht: „Ik kan het zijn, " en zij baden om het met te zijn, en het een ander wezen mocht. En die van vóór gingen, zagen om, om te vernemen of er daar achter nog geen doode was, en die van achter gingen, rokken hunnen hals, om te zien of er daar vóór nog geen zijn levenskaars had uitgeblazen, en die in 't midden gingen, zagen naar achter en naar voor. En luider, smeekender en klagender gingen de gebeden, opdat er toch niemand sterven zou.

Lijk een onzichtbare wolk hong de dood boven hen, mikkend naar diegene die ze hebben wou» en elks hart neep van vreeze tot de grootte van een boon. Men zag de schrik wit op de gezichten, en men haastte zich maar om zoo rap mogelijk t' huis te zijn. Dat baatte wel niet veel, maar 't verkleinde toch de doodskans voor een beetje. Men kwam door Aerschot. Het was geen twee op de tien keeren, dat men daar niet zonder doode doorging.

175

Sluiten