Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

MEENTP AARDEN

tusschen de dalen, als reizende groepen,

donk're, bedaarde, zien als beweging van ruggen en koppen, hooren als doove en toonlooze kloppen,

't nad'ren der paarden.

Hellingen over en hellingen onder,

over het kronk'lende enkele pad, doemen ze, dalen ze, stijgen ze, zonder

eenig vertoeven, van weide en wad. Of het geheim van de zee hen deed komen zacht tot elkander, als eenzame droomen,

voor het vergeten, of dat een wind uit het land hen deed drijven tot dit vertrouwen van lijven aan lijven, wie, die dit weten?

Want als bewusten verdwijnen en deizen, trekken ze verder langs hoogte en bil.

Waarom de laatste, die — even op reize —, of een verlangen of machtiger wil

hem weer terugriep, weifelt en staan blijft?

Is het de ziel van de zee die hem aandrijft, — of weder niet? —

die hem den roerioozen kop heeft doen wenden,

somber gerekt naar het vreemde bekende, dat hij verliet?

En als de and'ren al samen vergaderd zijn in de delling der diepe vallei,

is het zijn enkele beeld nog dat nadert over den eenzamen weg van de wei.

Sluiten