Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

DE DISTEL

De zachte hand, die takken breekt

in 'thout waarin zij groeit, en bukt en zich voorbij haar steekt

naar wat terzijde gloeit, Schrikt voor de haat dier levende

hoovaardigheid die schroeit: O kracht! zich niemand gevendeI O vuur! O eenzaam levende! O vrijheid die zich boeit!

De hooge boomen buigen zich

in de doorwaaide lucht. Verlangen en getuigenis

van wanhoop zingt hun zucht. Maar haar begeerte vlaagt en schiet

weerszij tot rust en stijgt. Haar arm bestaan beklaagt zij niet. O God en immer vraagt zij niet meer dan een trots die zwijgt.

Langs wegen, die, bewaaid van stof,

door deze landen gaan, Is zij in een verloren hof

vergeten opgestaan. Voor storm of hagel breekt zij niet.

Zij jubelt niet noch schreit. In wensch of schoonheid spreekt zij niet Zij is van allen tijd.

Sluiten