Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERINNERINGEN

21

XIII

Mij lijkt het leven nu vaak leeg en vlakker en liefdeloozer — en zoo grauw en kil —,

dan toen we gleden nog langs haag en akker, waar het zoo zuiver was en altijd stil.

De klare fluitslag van de merel brak er hoog uit een bloesemtak en zong April,

wij lagen open en voor alles wakker in 'tzoet verloren gaan van onzen wil.

Soms viel de meidoorn bij 'traaklings glijden voorbij haar zoetheid, in onze boot,

of viel op 't water en dreef terzijde wit met den stroom mee, die haar omsloot,

als nog een glimlach bij het verglijden.... uit jonge weelde tot in den dood.

Sluiten